Een waar gebeurd sprookje

    

De toren van Babel

  Cornelisz Anthonisz. (Amsterdam, 1505-1553) De vernietiging van de Toren van Babel -1547   de inscriptie op de banderol: ALST.OP.THOECHSTE.WAS./MOST.HET.DOEN.NIET.VALLEN

Taal is incarnatie. Het goddelijke, het onhoorbare, het onuitsprekelijke wordt in een woord uitgesproken, hoorbaar. Telkens als een woord gezegd of geschreven wordt, wordt God mens. God woont wel in het verborgene, maar die verborgenheid wordt bezeten door een natuurlijke wil zich te openbaren. God openbaart zich in klanken, klinkers en medeklinkers, interpuncties, uitroeptekens en vraagtekens. En tegelijk blijft hij in al die verschijningsvormen de onvindbare, de afwezige, de onuitsprekelijke. Hij toont zich en toont zich niet. Op hetzelfde moment dat hij verschijnt, verdwijnt hij in het onvindbare en het onzegbare. En zodra hij zich terugtrekt in het duister verschijnt hij op hetzelfde ogenblik in het licht van woorden, uitspraken, verhalen, uiteenzettingen, proza en poëzie.

God verschijnt ook in de natuur. Deus sive Natura, zei Baruch de Spinoza. Maar Gods openbaring in de taal is innemender, intiemer. Het onpersoonlijke dat spreekt, is het hoogste spreken. Want het is niet gebonden aan tijd en plaats en richt tot hart van de persoon, die om het te vernemen moet afzien van al het persoonlijke. Want het onpersoonlijke kan alleen gehoord worden door het onpersoonlijke. En aangezien elke mens een persoon is, moet zij om het onpersoonlijke te horen, afzien van al het persoonlijke. Als een individu in staat is al het individuele af te leggen, zal het openbarende woorden vernemen.

Taal is menswording. Zonder taal zou de mens nooit tot het bestaan gekomen zijn. De wereld zou niet meer dan pulp zijn, een stromende, dikke vloeistof waar mineralen, planten, dieren, water en aarde door elkaar kronkelen. Maar toen, zoals de dichter dichtte,  de grote Geest, die boven wateren van aanvang zweefde, woorden sprak, werden dieren van die Geest vervuld en werden taaldieren. De stilte van de schepping werd luid verstoord. De dieren konden voortaan klanken voortbrengen. Sommigen krijsten, loeiden, brulden, anderen sjilpten, floten, huilden, sisten, hinnikten of blaften. Zij konden roepen naar elkaar, elkaar waarschuwen of uitnodigen. Zoals wij modernen dit zeggen: zij konden met elkaar communiceren.

Maar God deed meer. Voor enkele diersoorten legde God in hun dierlijke zieltjes een grammatica en een alfabet. Want, zo dacht God in zijn wijsheid, wat zij zeggen, moeten zij ook op kunnen schrijven en elkaar voorlezen. Zo leerden de taaldieren klanken voortbrengen, die woorden werden. En de woorden werden mededelingen.  Zij pruilden of spanden de lippen en op de uitstoot van de adem plofte er een woord uit vol betekenis. Vaak zaten zij bij het vuur lange tijd heel stil bij elkaar. En zwegen.  En wachtten zij en luisterden, luisterden en luisterden totdat een woord zomaar uit hun ziel omhoog schoot. En om het niet e vergeten werd het nieuwe woord onmiddellijk op een vel papier genoteerd. Zij ontdekten ook woorden die op elkaar kon rijmen, zoals droom en schroom, donker en geflonker, duister en luister. En geleidelijk aan begonnen ze in een soort dichtkunst met elkaar te praten, want poëzie kan met weinig woorden veel zeggen.

Zij vonden uitdrukkingen voor geluk, vreugde of voor pijn, angst., verdriet. Meerdere woorden met elkaar verbonden werden korte zinnetjes: ik houd van jou; of: ik voel  me niet lekker; of: ik heb het koud. Zij gingen zich van elkaar onderscheiden door wonderlijk kleine woordjes: ik, jij, hij, wij, jullie, zij. Zij bedachten allerlei nieuwe woorden of liever namen voor wat zij om zich heen zagen: maan, wolk, boom, zand, water, of voor de wat achter geraakte dieren: aap, beer, leeuw, slang, mier, varken.

Toen was er één - of waren het meerderen tegelijk? – die voor zichzelf het woord ‘mens’ verzonnen had. En het werd door velen al snel overgenomen. Want zij dachten: wij zijn mensen, een heel apart soort dieren, nee zelfs geen dieren meer, maar wezens die kunnen spreken en schrijven. En zij keken een beetje neer op de lagere taaldieren die nog steeds kwekten, mekkerden, krasten of knorden.

In de loop van jaren - want het kostte veel inspanning en tijd, ontwikkelden zij verschillende soorten van woorden, zoals zelfstandige naamwoorden, werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijwoorden, lidwoorden, voegwoorden. Met de ontwikkeling van nieuwe woorden leerden zij ook zinnen te bouwen. En zo konden zij niet alleen met elkaar spreken, maar begonnen zij ook verhalen te vertellen. En dankzij het alfabet werd dit alles minutieus genoteerd.

De verhalen gingen over God, die de mens de taal geschonken had en over heel veel hulpgoden. Want God kon veel, maar niet alles. Zo was er een godheid voor het klimaat, die de vochtigheidsgraad en de temperatuur van de aarde regelde, eentje ging over de zon, de maan en de sterren, een ander regelde de huwelijksrelaties, waarbij overigens verteld werd dat hij wel een erg slecht voorbeeld gaf door heel veel vreemd te gaan – weer een ander godheid hielp de mensen met de jacht en er was ook een god die voor de onderlinge vrede zorgde  - hetgeen hem in die tijd redelijk goed afging. Want de mensen verstonden en begrepen elkaar.

Met de hoeveelheid woorden, namen ook de verhalen toe. Maar er ontstond een probleem. Zij hadden meer dan 50.000 worden gecreëerd en het werd voor ieder mens afzonderlijk steeds moeilijker al die woorden te onthouden. Toen kwam iemand op het idee een toren te bouwen waarop alle woorden opgeschreven stonden, zodat iedereen door langs de verdiepingen te lopen alle denkbare woorden kon vinden en gebruiken. Zo bouwden zij een toren van taal, laag op laag. De woorden werden gekerfd in houten blokken, want dat was gemakkelijker dan ze te beitelen in steen.  Bovendien bouwden zij in die toren van taal ook hele grote zalen waarin grote vellen papier tentoongesteld werden waarop niet alleen de woorden te lezen waren, maar ook de verhalen.

En de mensen wandelden via een wenteltrap langs de woorden, die ze telkens hardop uitspraken. Zo stapelden zij ongeveer 400.000 woorden op elkaar en was de toren inmiddels wel 92 meter hoog. En de mensen genoten van de vele woorden en schiepen gebeden en hymnen om de God te loven en te danken. Want de woorden bezaten zangerige klanken die spontaan gezongen werden en prachtige melodieën vormden. Woorden waren toen nog magisch. Eenmaal uitgesproken beïnvloedden zij de omgeving onmiddellijk overeenkomstig hun betekenissen. Werd het woord goed of schoon hardop gesproken, dan werd de wereld steeds een stukje beter en mooier.

En ze noemde hun taal het Diets, wat betekent ‘dit is iets’. Want met de taal schiepen zij de werkelijkheid.

Toen gebeurde er iets verschrikkelijks. Zoals jullie weten zijn woorden aanstekelijk. Zij zijn gemaakt van innerlijk vuur. Is een woord eenmaal ontvlamd, dan steekt het gemakkelijk andere woorden aan. Jullie weten ook dat je met papier een lekker fikkie kan stoken Welnu, de God van het klimaat was zoals zo vaak aan het spelen met de wind en de wolken. Dit keer liet hij het wel heel hard waaien. Angstaanjagend raasden een storm over het land en dikke, donkere wolken overschaduwden de aarde. En om zijn plezier te vergroten stak de god van het klimaat twee meterslange lucifers aan. Bliksemschichten schoten door de hemel. Soms kwamen er flitsen van twee kanten tegelijk die op elkaar knalden en als één straal in de aarde sloegen.

De toren van taal schudde door de vreselijke windvlagen, maar leek toch stand te houden. Totdat een bliksemschicht de toren trof. Meteen stonden de bovenste verdiepingen in vuur. En de vlammen raasden naar beneden. Iedereen probeerde weg te vluchten. De vele vellen papier in de grote leeszalen vatten vliegensvlug vlam en deed het vuur hoog oplaaien. Maar de woorden, van innerlijk vuur gemaakt, werden door de hevige rukwinden weggeblazen en zwierven als vurige tongen door de donkere lucht. De wind die toen nog in alle richtingen tegelijk waaide, verspreidde de duizenden woorden naar het oosten, het westen, het zuiden en het noorden. En de mensen die hun kostbaarste bezit, resultaat van vernuftig werk, zagen weggeblazen en uitgestrooid naar alle kanten, renden de woorden achterna. En waar de woorden maar heen waaiden, huilend en schreeuwend met opgeheven, smekende armen volgden zij de zwevende, vurige woorden. Geen inspanning was hen te veel.  Zij trokken door rivieren, klommen over bergketens, voerden over oceanen, zwierven door dorren woestijnen en dichtbegroeide oerwouden, in de hoop dat als de wind ging liggen, zij met hun kostbare woorden weer verenigd zouden worden.

Met de vlammende woorden verspreidden de mensen zich over de aarde. Zij zwierven in kleine groepen, vaak ver verwijderd van andere groepen. Toen eindelijk de wind ging liggen en het vuur zich in het binnenste van de woorden had teruggetrokken, begonnen zij de verspreidde woorden bijeen te sprokkelen. Maar van de woorden die zij zo kunstig tot één gemeenschappelijk taal gevlochten hadden, vond elke groep slechts brokstukken, fragmenten, vaak verkoold en onleesbaar. Niettemin zette elke groep zich ijverig aan het werk om uit de neergedwarrelde scherven en de restanten een nieuwe taal te scheppen. De afstanden tussen de verschillende groepen, verspreid door de verschrikkelijke natuurramp, waren echter vaak zo groot geworden, dat van overleg over de te herstellen woorden of over de vorming van nieuw taaluitingen geen sprake kon zijn. En zo ontstonden, onafhankelijk van elkaar, vele nieuwe talen, overeenkomstig de streek waar zij vervaardigd waren. Zo werd in het ene gebied het Aramees bedacht, in andere streek, ver daarvandaan, het Balinees. In het ene gebied schiepen zij het Elamitisch, in een ander het Scytisch of het Medisch. En elders ontstond het Abchadisch, het Burushaski, het Chamorro, het Divehi, het Engels, het Fataluku, het Grieks, het Hebreeuws, het Ingris, het Javaans, het Kodisch, het Lombardisch, het Marathi, het Nyanja, het Oezbeeks, het Punjabi, het Quenchua, het Rapa Nui, het Swahili, het Tuvaluaans, het Urdu, het Venda, het Wolof, het Xhosa, Het Yapees en het Zujeens. En dat is maar een kleine greep uit de enorme hoeveelheid talen die in die tijd verzonnen werden. Men fluistert dat wel zesduizend verschillende talen werden uitgedacht.

Terwijl ieder volkje hard werkte aan een eigen taal, ontstond er langzamerhand een probleem. Het werd steeds moeilijker praten met de buren. De taalverschillen werden alleen maar groter. Zo ontstonden er misverstanden bij het ruilen van goederen of bij het vaststellen van de grenzen. Er rezen ruzies over het eigendom van jachtgebieden. Er waren over en weer beschuldigingen van diefstal. Men begon met elkaar te vechten waarbij doden en gewonden vielen. Maar wat vooral voor de onderliggende verhoudingen funest was: men begon scheldwoorden te bedenken om de andere partijen zwart te maken. En nog erger, men begon een speciale taal te ontwerpen om voor oorlogsvoering aanhangers te werven. Toen ontstond het woord ‘propaganda’.

Bij alle rumoer, reuring en geweld was wel het ergste dat de goddelijke oorsprong van de taal in vergetelheid raakte. Niemand wist meer dat de taal een geschenk was. Zij waren vergeten hoe zij rond de toren van taal na de noodzakelijke arbeid bij elkaar kwamen en vol vreugde woorden en zinnen smeedden. Het spreken was een vreugdevol spel waaruit spontaan liederen ontstonden die de schoonheid van de schepping bezongen. De taal van in den beginne was een loflied op de schepping. Die taal kende geen lelijke woorden. Zij waren ook vergeten dat woorden magisch zijn. Wie het woord oorlog gebruikt, roept de oorlog op. Wie wreed zegt, wekt wreedheid.

Los van zijn oorsprong werd de taal slechts een nuttig voertuig. De schoonheid en het spel verdween uit de taal. Geen lofliederen meer, maar gebruiksaanwijzingen. Geen liefdespoëzie meer, maar oorlogsverklaringen. Het woord ‘vijand’ deed zijn verschrikkelijke werk.  En zo vloeide er overal op de aarde bloed, veel bloed.

En god, die de mens de taal geschonken had om de schepping te vieren, zag dit alles. En hij zag dat het niet goed was. Hij betreurde diep het wangedrag dat voortvloeide uit het misbruik van de taal. De taal was immers zijn grootste scheppingsdaad, grootser dan zijn creatie van zeeën, bergketens, landschappen, zon, maan en sterren.

 Toen kreeg hij een idee. Een grootser idee zou de geschiedenis niet meer ten deel vallen. Hij zou zijn Woord naar de aarde zenden. Niet als een begrip of een zuivere klank maar in de gedaante van een mens. Hij twijfelde of het de gestalte van een man moest zijn of het lichaam van een vrouw. Maar omdat hij vermoedde dat een vrouw veel onbegrip zou teweegbrengen, besloot hij zijn Woord in een mannelijk lichaam aan de wereld te tonen. Had hij een paar eeuwen gewacht dan zou hij ongetwijfeld zijn Woord als hermafrodiet naar de wereld gezonden hebben.

Maar hij zond zijn zoon als Woord, voortgekomen uit de oneindige vruchtbaarheid van God als Vader. Hij zond zijn zoon dat bij begin reeds het spreken was, waardoor alle dingen geworden zijn en waardoor het licht weer zou schijnen in de duisternis. Zijn spreken zou vlees-en-bloed zijn. Het zou wonen onder de mensen.

En het Woord wandelde over de aarde. Het sprak in gelijkenissen, want waar hij over sprak was niet te begrijpen voor het verstand. Hij prees de zorgeloosheid. ‘Kijk naar de vogels, zij vliegen probleemloos in het rond.  Zie de bloemen in het veld. Zij bloeien zonder te denken aan morgen. Wees als zuigelingen, leef zo vol vertrouwen en vol overgave en jullie zullen het Koninkrijk Gods bezitten.’ Hij toonde dat woorden magisch zijn. Tegen een blinde zei hij: ‘Word ziende!’ En de ogen van de blinde gingen open. De blindgeborene keek rond en zag. Tot een verlamde zei hij: ‘Sta op en loop’. En de verlamde stond op en liep. En tot een gestorvene sprak hij: ‘Word wakker en leef.’ En zo geschiede. Hij nam een stuk brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam.’ En hij nam een beker wijn en zei: ‘Dit is mijn bloed. Als jullie hiervan eten en drinken zullen jullie altijd bij mij zijn.’

Hij sprak vooral over de liefde. Want het Woord, voortgekomen uit liefdevolle scheppingswil, is niets dan liefde. ‘Heb elkaar lief, zoals Uw hemelse Vader U liefheeft.’

Aanvankelijk kreeg het Woord grote aandacht. Velen hingen begerig aan zijn lippen. Maar spoedig raakten zij teleurgesteld. Zij dachten dat het Koninkrijk, waar hij zo beeldend over sprak, hen zou verlossen van de onderdrukkers, dat zij overvloedig voedsel en drank zouden krijgen en vooral veel spullen. Zij begrepen niet zijn mystieke boodschap. Slechts een kleine schare volgde hem. Zij werden ‘hoorders van het Woord’ genoemd.

De menigte was zo gefrustreerd, dat zij politie en opperrechters opstookten het Woord gevangen te nemen en ter dood te veroordelen. En zo geschiede. Het Woord werd in hechtenis genomen,  tot bloedens toe geslagen en ten slotte ernstig verminkt aan een kruis gespijkerd. Maar ook toen liet het Woord het spreken niet na: ‘Jij zal met mij wezen in het paradijs.’ ‘Vader, vergeef het hen.’

En God keek toe en wist: dit offer is niet vruchteloos. Ook al zouden weinigen dit weten, hij zou voor altijd zijn geesteswoord onder de mensen doen wonen. Want zie. De kleine groep getrouwe volgelingen, ‘de hoorders van het Woord’, waren angstig en bezorgd bijeengekomen om te beraadslagen wat zij na de dood van hun leraar, het Woord, moesten doen. Uren achtereen zaten zij bij elkaar zonder iets te zeggen. Zij dachten alleen maar aan het Woord en aan zijn gesproken woorden, zijn gelijkenissen, vermaningen en aansporingen. Zij richtten zich op de herinnering aan zijn gestalte. In diepe contemplatie verdwenen hun angsten en zorgen en vergaten zij zichzelf. Zij hoorden slechts het Woord. En het Woord nam bezit van hen.

En God vroeg de god van het klimaat een stevige wind voorzichtig te zenden naar de plaats waar zij zich verzameld hadden. Het moest zijn ‘als een ruisen’. Toen deed God nog eenmaal een talenwonder. Hij verzamelde van over de hele wereld alle oude  woorden van die ene oude goddelijke taal die de mensen ooit spraken. En hij liet de woorden als vurige tongen met de wind meedrijven naar het huis waar de hoorders van het Woord bijeen waren. Het huis vulde zich met een geweldig gedreven ademen. De vuurtongen verspreidden  zich door de ruimte en zetten zich op ieder van hen neer. Iedereen begon ineens op luide toon te spreken en wel in vreemde talen.De mensen die in de buurt woonden, kwamen vanwege de lawaaierige wind nieuwsgierig toegestroomd.  Zij waren afkomstig uit allerlei verschillende streken met verschillende talen zodat zij normaal gesproken elkaar niet kunnen verstaan. Maar waar zij ook vandaan kwamen en hoezeer hun talen ook van elkaar afweken, zij hoorden allen in hun eigen taal spreken over Gods grote daden. Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ Maar de meesten zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

Sindsdien kan elk mens, in welke taal ook opgegroeid, mits hij openstaat voor het Woord, gericht is op het Woord en in bezit genomen is door het Woord, de oorspronkelijke, goddelijke taal vernemen en spreken. Want elke moedertaal, zelfs elk dialect, is de taal van God. Maar wanneer  je die onuitsprekelijke, goddelijke taal wilt horen, ga dan naar een afgezonderde plek. Zit lange tijd stil en onbeweeglijk. Vergeet alle woorden en alle talen die je hebt geleerd. Laat je gaan in een oeverloze stilte. Wandel in die duisternis steeds verder het duistere in. Word één en al oor. Dan zal je horen wat nog niemand heeft gehoord. Word één en al tong en je zal spreken waarover nog niemand heeft gesproken. Dan zal  je woorden horen van het begin en woorden spreken van het begin – een begin dat nooit begonnen is en nooit zal eindigen.

Nu moeten jullie gauw gaan slapen. Het is in middels al laat geworden. Of je dit verhaal gelooft of niet – het is echt gebeurd. Want het is verzonnen.