De mystieke oorsprong van de taal

Het wetenschappelijk onderzoek naar de oorsprong van de taal heeft nog altijd geen bevredigend antwoord gevonden. Er is in de loop van de tijd veel onderzocht en verzonnen, maar het blijft tasten in het duister. Er ontstonden zoveel onzinverhalen dat het Parijse taalkundig genootschap in 1866 zelfs essays over de oorsprong van de taal verbood. De taalkunde van de 19e eeuw wilde afrekenen met al die speculaties en wilde net als alle serieuze wetenschappen toentertijd op zoek gaan naar wetten - in het geval van de taalkunde de klankwetten van de historische taalontwikkeling. Het resultaat was dat het rond de taalstudie tamelijk stil werd. In de 20e eeuw is daar verandering gekomen. Om dit duistere begin van ons spraakvermogen te vinden bracht men met de diverse takken van de taalkunde andere wetenschappelijke disciplines bij elkaar: o.a. archeologie, paleontologie geologie, biologie, neurologie, psychologie. Zijn alle talen afkomstig van één taal, bijvoorbeeld het Indo-Europees? Was er ooit een oertaal? Men zoekt eigenlijk naar de big bang van de taal. Noam Chomsky is ongetwijfeld de invloedrijkste taalwetenschapper van de twintigste eeuw. Hij stelde dat de structuur van de grammatica in ons brein is aangeboren.

 Het spitten en graven van de taalwetenschappers bracht tal van interessante feiten aan het licht over ons verleden. Maar tot een eensluidende taaltheorie is men tot nu toe niet gekomen.

Wetenschappelijk onderzoek, empirisch en verifieerbaar, is echter één manier om tot de oorsprong proberen door te dringen. Er is een andere manier, minder gangbaar, minder gewaardeerd, maar niet minder avontuurlijk. Daarbij wordt het causaliteitsdenken verlaten en vervangen door een schouwen van de oorsprong. De mystici noemen het contemplatie. Verondersteld wordt dat de oorsprong er altijd is. Hij is niet van het verleden. Ook niet van de toekomst. Maar hij is aanwezig in zijn volheid als een tijdloos nu. Die Oorsprong heeft geen aanwijsbaar begin noch een aantoonbaar einde. De aanvang ligt noch binnen noch buiten mij. Hij is ook niet de bron van iets bepaalds, iets bijzonders, want hij is het fundament van alles en allen. Wie naar de herkomst van de taal zoekt, vraagt op deze wijze naar de hoeksteen van alle bestaan. Het mysterie karakter dat de taal omgeeft rechtvaardigt deze benadering. Zonder het wetenschappelijke werk te bagatelliseren, dient zich de mogelijkheid aan om de duistere cirkel rond taal binnen te gaan en door die donkere kring aangeraakt te worden. Taal als mysterie is even wijds en groot als het mysterie van leven en dood. Mysterie kent geen afmetingen. En het ene mysterie laat zich lastig vergelijken met het andere. Het ene mysterie verdwijnt in het andere mysterie, zodat er slechts mysterie is.

In dit mysterie dat alle regionen van het bestaan overschaduwt, sta ik onwetend. Niet-weten is echter geen filosofisch begrip, dat zou staan tegenover weten. Het is ook geen voorlopig niet-weten dat wellicht in de toekomst verjaagd zal worden met de nodige kennis. Het is ‘een dikke, donkere wolk van niet-weten’, dat zich over mijn gehele bestaan uitstrekt en nooit verdreven wordt. Het is een existentieel niet-weten, dat een wezenskenmerk is van mijn bestaan. Wie dit niet-weten ontkent of wil verbannen, loochent een essentie van menszijn. Hier ligt de kritiek van de mystieke tradities op de opperheerschappij van de wetenschap, de suprematie van de rede, de hegemonie van het intellect. Het intellect is een bijzonder vermogen en maakt ons tot bijzondere wezens. Maar de rede kan zich een autonomie toedichten die haar doof en blind maakt voor de schreeuwende duisternis waarmee het menselijk bestaan doordrenkt is. Het is voor mij onmogelijk de ogen hiervoor te sluiten of mij ervoor doof te houden. Het dringt zich altijd en overal op. Niet eens als een probleem maar als een onomstotelijk feit.

Ook al maakt de instemming met dit niet-weten mij niet direct tot een beter mens, het roept om een nederigheid, de erkenning van machteloosheid, een aansporing vooral voorzichtig te zijn met grote beweringen, die mij ook helpt in de dagelijkse gang van zaken oprecht mijn onwetendheid te bekennen.

Maar dit veld van niet-weten is niet neutraal. Wie daarin binnen wil treden,  beklimt langs een smal, steil pad een hoge berg, waarvan de top ver boven de boomgrens en de wolken ligt, aldus leert Jan van het Kruis. Om hoger te stijgen legt hij alle beschermde kleding af: zijn vertrouwde begrippen, zijn maatstaven, criteria, zijn oordelen, zelfs zijn richtingsgevoel. Zijn gids moet op zekere hoogte afscheid nemen. Want alleen hij kan verdergaan. Hoever hij van de top verwijderd is, weet hij niet. Ook niet of hij wel voldoende proviand heeft. Bij elke stap verliest hij steeds meer zijn oude zekerheden, zijn persoonlijkheid, zijn identiteit. Blind loopt hij langs de afgrond. Hij zal zelfs nooit weten of hij ooit de top bereikt heeft.

In deze toenemende ontkleding, in deze geest van armoede zonder iets te hebben, zonder iets te willen en zonder iets te weten, zoals Meister Eckhart het formuleert, raakt de pelgrim vervuld van werkelijkheid. Al het persoonlijke, de bagage van geleerdheid en geletterdheid, het relationele, het menselijke wordt weliswaar niet definitief vernietigd – al wordt het wel zo gevoeld, maar voor het ogenblik overspoeld door het gigantische uitzicht. Of, wat in dit geval hetzelfde is, een overweldigend inzicht. Hier wordt de taalbarrière doorbroken, want hier heerst een groot, mysterieus zwijgen.  Er is slechts een wijds, oceanisch gevoel. Dit geraakt worden veroorzaakt een emotionele wond, waarvan de diepte niet te peilen is. Zij wekt een energiestroom van wisselende, ongrijpbare emoties. Pijn, angst, genot, schaamte, verwondering, liefde, afschuw vloeien in elkaar over. Er wordt niets beheerst. Er wordt ondergaan. En omdat de beschuttende functies van woorden en begrippen weggevallen zijn, geschiedt dit alles met grote, bijna onverdraagbare intensiteit.

Er ontstaan beelden zonder scherpe contouren, die inkrimpen en uitdijen, in elkaar overgaan, elkaar vervormen en nieuwe constellaties scheppen. Menselijke figuren worden uitvergroot tot proporties van mythische goden. Zij verglijden gemakkelijk in de gedaanten van koeien, stieren, slangen en vogels. En ook de stilte staat niet stil. Want ergens op die klim worden geheime, gefluisterde woorden vernomen, die voor de wereld onverstaanbaar zijn.

Niemand die op de top geweest is – was het wel de top? – daalt onveranderd naar beneden. Ook al zal het van buitenaf niet altijd te zien zijn, elk woord en elk gebaar is voortaan geïnfiltreerd met de emotie, die de bestijging van de berg teweegbrengt. Alleen wie zelf de klim ondernomen heeft, kan zijn onnaspeurlijke werkzaamheid kennen.